Het volgende onderdeel geeft een overzicht van de geografische oorsprong van de verschillende primitieve hondentypes van Noord-Amerika, wat hun karakteristieken waren en waarvoor ze werden ingezet. Het verduidelijkt ook de fokprincipes van de indianen: de Plains Indian Dog van de centraal gelegen prairie is een combinatie van alle verschillende types van oude honden uit de 4 windrichtingen. De verdeling in de geografische gebieden en de informatie zijn gebaseerd op historische vondsten, informatie die mondeling is doorgegeven door stamoudsten, documenten van vroege ontdekkingsreizigers, het onderzoek van Kim La Flamme en de vindplaatsen van zijn en andere honden. Het blijft onduidelijk waarom er geen honden of archeologische bewijzen werden gevonden in het gebied rond San Francisco bay. Naast de types die hier worden besproken, werden nog 3 types gevonden: haarloze honden, mopshonden en wolharige honden. Deze werden niet als werkhonden gebruikt in het precolumbiaanse tijdperk en Kim La Flamme gebruikte ze niet in zijn oorspronkelijke bloedlijnen. Het beeld dat hier geschetst wordt is niet volledig en het is ook niet absoluut precies, het heeft enkel tot doel geïnteresseerden te helpen om hun begrip over de American Indian Dog te verdiepen. Door de fokprocessen uit het verleden na te bootsen, probeert Kim La Flamme tegenwoordig nog steeds de Plains Indian Dog en de verschillende oude types te behouden voor toekomstige generaties.

 

Meer informatie over de honden, vindplaatsen en het fokprogramma is beschikbaar op de website van Kim La Flamme.


Plains Indian Dog

 

De moderne hedendaagse American Indian Dog stemt overeen met de Plains Indian Dog uit het verleden. Door de handel en het fokken was dit type van de oorspronkelijke hond op het hele continent te vinden, maar hij kwam het vaakst voor op de prairie. De indianen van de prairie stonden bekend als goede hondenfokkers. Zij ruilden honden met stammen uit de 4 windrichtingen en combineerden de verschillende regionale types tot een gebalanceerde kruising die in staat was meerdere taken uit te voeren. Dit ‘recept’ omvatte de Common Indian Dogs uit het zuidoosten, de Village Indian Dogs uit het noorden, de Tahltan Indian Dogs uit het noordwesten en de Pueblo Indian Dogs uit het zuidwesten plus de Hare Indian Dogs uit het noordoosten. De Plains Indian Dogs werden ook terug verhandeld, hetgeen de cirkel volledig maakte.

 

In vergelijking met de andere oude types, had de Plains Indian Dog een gemiddelde grootte en gewicht (ongeveer 16 tot 23 kg of 35 tot 50 lbs). Verschillende kleuren en patronen doken op, gaande van wit tot zwart met verschillende schakeringen en nuances. De lengte van de vacht varieerde van kort en dun tot lang en wollig. De kleur van de ogen kon blauw, geel of grijs zijn. Hun oren waren groot en opstaand en hun rechte staart werd licht gebogen gedragen. De verschillende kleuren en schakeringen gaven hen markante patronen op hun kop vaak met punten boven de ogen.

 

Deze honden werden op verschillende manieren gebruikt: ze trokken sleden en travois droegen rugzakken om voedsel, hout, kledij en andere gebruiksvoorwerpen te vervoeren. Ze jaagden op zicht, reuk en geluid op vogels, vis, klein en groot wild, beren en dreven zelfs buffels samen voor de slacht. Ze dienden als waakhonden en babysitters en hielden hun eigenaars warm op koude nachten.


Common en Village Indian Dog

 

De Common en Village Indian Dog zijn qua uitzicht en karakter vergelijkbaar. Ze hebben allebei ongeveer dezelfde gestalte en hetzelfde gewicht. De meest prominente verschillen zij de vacht en de verspreiding: de Common Indian Dog heeft in vergelijking met de Village Indian Dog korter haar. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat deze honden verspreid waren van Zuid-Amerika tot in Alaska, terwijl de Village Indian Dogs voornamelijk in het noorden werden gevonden. De beide types hebben iets langere poten in vergelijking met de Plains Indian Dog. Van de zes verschillende types primitieve honden, waren de Common en Village Indian Dogs de grootste. Hun schofthoogte was tot 6 cm (2”) hoger dan die van de Plains Indian Dogs. Ze waren ook zwaarder, maar nooit zwaarder dan 25 kg (55 lbs). Door hun grote verspreiding zijn de kansen om vandaag nog een van deze honden te vinden groter dan die om een van de andere types te vinden.

 

Niet lang geleden slaagde Kim La Flamme erin twee Village Indian Dogs te vinden en ze in te schakelen in zijn fokprogramma. Ze werden allebei gebruikt om sleden te trekken over grote afstanden. Veel van deze honden zijn nu ingeschreven in het stamboek van de  Alaskan Husky, dit maakt het niet gemakkelijker om tegenwoordig honden van deze lijnen te vinden. Kim La Flamme gebruikte deze oude types ook om de Plains Indian Dog terug te brengen. Hij probeert tot op heden de lijnen van de Common en Village Indian Dogs te behouden in zijn fokprogramma en ze verder te betrekken bij de volgende generaties.


Tahltan Bear Dog en Pueblo Indian Dog

 

De Tahltan Bear Dogs zijn voornamelijk gevonden in het noordwesten van Canada, waar zij gefokt werden door de Tahltan-indianen. Verrassend genoeg zijn deze eerder kleine, kortharige honden ook gevonden in het zuidwesten van Amerika, waar ze gekend waren als de Pueblo Indian Dogs. Onderzoek heeft aangetoond dat indianen uit die verafgelegen regio’s veel culturele gelijkenissen vertoonden. Ze spraken dezelfde taal en deelden veel tradities. Men kwam erachter dat de Tahltan-, Navajo- en Apache-indianen grote afstanden aflegden om te ruilen, te handelen en zich cultureel te verrijken . Op die manier ruilden ze ook honden.

 

De Tahltan- en Pueblo Indian Dogs waren het kleinste type. Hun schofthoogte was tot 6 cm (2”) lager dan die van de Plains Indian Dogs. Ze waren stevig gebouwd, sterk en waren eerder blaffers met een gewicht tussen 11 en 16 kg (25 tot 35 lbs). Hun  eigenschappen kwamen goed van pas bij het jagen en spoorzoeken op zicht en reuk en zelfs bij het vissen, ze konden in bomen klimmen en werden gebruikt om dieren te drijven.

 

De Tahltan en Pueblo Indian Dog werden gebruikt in de Plains Indians en droegen zo bij tot de Plains Indian Dog. Kim La Flamme vond enkele van deze honden en gebruikte hen voor zijn fokprogramma. Vandaag heeft hij nog steeds honden die zeer dicht aanleunen bij deze types van primitieve honden.


Hare Indian Dog

 

De Hare Indian Dog kwam voornamelijk voor in het noordoosten van het continent. Maar net als alle andere types van primitieve honden konden ze ook in andere delen van Noord-Amerika worden gevonden. De Hare Indian Dog had een schofthoogte tussen 43 en 49 cm (17 tot 19”). Zijn onderscheidende kenmerken waren de iets langere vacht, de borstelige staart en de langere haren op zijn poten. Ondanks hun kroezelige voorkomen, waren ze licht gebouwd, sterk en behendig, met het karakter van een collie. Er zijn vermoedens dat deze honden afstammen van de oude Viking-honden. Omdat dit type zelden blafte, gebruikten de Hare-indianen hen voor het controleren van vallen, om te jagen en om andere dieren te drijven. Net als de Tahltan Bear Dogs waren zij in staat om in bomen te klimmen om vogels en ander wild te vangen voor hun eigenaars. Ook hun vriendelijke persoonlijkheid en speelsheid waren kenmerkend. Ze waren ook zeer  vriendelijk naar vreemden toe. Vroege ontdekkingsreizigers omschreven de Hare Indian Dog als “dol op knuffels, ze wrijven net als een kat hun rug tegen je aan en houden van iedereen die ze ontmoeten”.

 

Tegenwoordig zijn de erg vriendelijke kroezelige Hare Indian Dogs nog steeds aanwezig in het fokprogramma van Kim La Flamme. Al deze kenmerken hielpen hem jaren geleden om honden te identificeren voor zijn oorspronkelijke foklijnen. De meest moderne American Indian Dogs hebben de vriendelijkheid van de Hare Indian Dogs geërfd en vele eigenaars zijn daar erg blij om.